0412 - 474 350 Info@JBR-Arbo.nl

Werken op hoogte

Leidraad Veilig werken op hoogte:

Keuze van het juiste arbeidsmiddel   (Overwegingen bij het beperken van de ladder als werkplek)


Veilig werken op hoogte

Inleiding
Valincidenten kunnen blijvende invaliditeit of de dood van het slachtoffer tot gevolg hebben. Werkgevers zijn zich ervan bewust dat een vermindering van het aantal valincidenten onder meer kan worden bereikt door het beperken van het gebruik van de ladder als werkplek op hoogte [1].

De systematiek van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) is erop gebaseerd dat een risico primair bij de bron wordt aangepakt. De beste mogelijkheid daartoe is dat bij nieuwbouw al in de ontwerpfase (‘op de tekentafel’) rekening wordt gehouden met de keuze van het juiste arbeidsmiddel in de bouw-, de gebruiks- en de onderhoudsfase van een gebouw, waarbij oplossingen worden bedacht die een alternatief bieden voor het gebruik van de ladder als werkplek op hoogte. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van gevelinstallaties of aan het plaatsen van naar binnen draaiende ramen. Maar ook bij bestaande gebouwen kunnen vaak bij het groot onderhoud dergelijke voorzieningen worden aangebracht die het gebruik van de ladder als werkplek overbodig maken. De overheid heeft hier in de bouwregelgeving en in de handhaving een specifieke verantwoordelijkheid met betrekking tot het ontwerp. Door de hier bedoelde preventiemaatregelen in de ontwerpfase kan later het klein onderhoud veiliger worden uitgevoerd. Zowel opdrachtgevers (waaronder de overheid) als ontwerpers hebben hier een grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen die genoodzaakt zijn om tijdens de bouw, de afbouw, het onderhoud of de sloop op hoogte te werken.
Pas als blijkt dat een dergelijke bronaanpak niet of niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, moet het gebruik van collectieve arbeidsmiddelen worden overwogen.
Afhankelijk van de aard en de duur van de werkzaamheden en van bepaalde 1 Onder werken op hoogte wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden waarbij de voeten op meer dan 2,50 meter boven het vloerniveau staan (= stahoogte) omgevingsfactoren zoals de beschikbare ruimte of de stevigheid van de ondergrond, kan in veel gevallen gebruik worden gemaakt van bijvoorbeeld een steiger of een hoogwerker.
Hier hebben de werkgevers en werknemers die werkzaamheden op hoogte (laten) verrichten, een eigen verantwoordelijkheid voor het veilig uitvoeren van de werkzaamheden.

In een aantal sectoren, zoals de bouw, de afbouw en de gevelreiniging, heeft men volop aandacht voor aspecten van het veilig werken op hoogte. In deze sectoren worden of zijn afspraken gemaakt over het beperken van het gebruik van de ladder als werkplek.

Het uitgangspunt daarbij is dat het gebruik van de ladder als werkplek op hoogte zoveel mogelijk moet worden beperkt. Alleen als het gebruik van andere arbeidsmiddelen om technische, economische en operationele redenen niet haalbaar is, mag de ladder – eventueel in combinatie met persoonlijke beschermingsmiddelen – als werkplek worden ingezet. Maar zelfs dan alléén indien conform het hieronder beschreven protocol is geconcludeerd dat het gebruik van de ladder als werkplek op hoogte verantwoord èn gerechtvaardigd is.

In de praktijk van alledag wordt het gebruik van het arbeidsmiddel vooral bepaald door de omvang van de werkzaamheden. Bij kortdurende werkzaamheden lijkt de inzet van de ladder voor de hand te liggen. Vooral omdat ook bijvoorbeeld het opbouwen en het afbreken van een steiger een zeker risico met zich mee brengt.

Dit protocol geeft de overwegingen, die bedrijven in voorkomende praktijksituaties kunnen toepassen om onder voorwaarden de ladder te kunnen blijven toepassen als werkplek voor het staande verrichten van werkzaamheden op hoogte. Hierbij is gestreefd naar een afwegingsmodel dat kan leiden tot een zo uniform mogelijke interpretatie van de wettelijke voorschriften, tot een juiste conclusie op bedrijfsniveau van het te gebruiken arbeidsmiddel en tot een branchebrede uniforme handhaving.

Het protocol kan worden gebruikt als checklist voor het uitvoeren van de risicoinventarisatie en -evaluatie voor het bedrijf en zo nodig voor de risico-inventarisatie en -evaluatie per object. Bij een juist gebruik van de checklist kan in vrijwel alle gevallen een verantwoorde keuze voor het te gebruiken arbeidsmiddel worden gemaakt.

1. Ladders

De ladder valt onder de richtlijn Arbeidsmiddelen. Deze richtlijn verplicht de werkgever de werknemers met zodanige arbeidsmiddelen (ladders, trappen en rolsteigers) te laten werken, dat de veiligheid en gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik kunnen worden gewaarborgd (zie ook bijlage a). Naast het feit dat de ladder valt onder de definitie van arbeidsmiddelen, is in het Arbobesluit (artikel 7.23 en 7.23a, respectievelijk 7.33, zie bijlage) een aanvullend voorschrift opgenomen. Het voorschrift geeft aanwijzingen om risico’s van uitglijden en omvallen te minimaliseren.

De minimumeisen voor ladders in Nederland zijn vastgelegd in het Besluit draagbaar klimmaterieel van de Warenwet. Deze wet is van toepassing op de ladders die in de handel worden gebracht, ongeacht of ze gebruikt worden in de privé- of arbeidssfeer.
De nadere invulling wordt gegeven in de Nederlandse norm NEN 2484, Draagbaar Klimmateriaal genaamd. In deze norm zijn onder andere de gebruiksnormen, termen, definities en beproevingsmethoden vastgelegd. Met de Arbobeleidsregels artikel 3.16 (zie bijlage) wordt aansluiting gezocht bij het Warenwetbesluit en wordt uitdrukkelijk aangegeven dat bij arbeid alleen ladders mogen worden gebruikt die voldoen aan de betreffende NEN-norm. Bij de handhaving wordt door de Arbeidsinspectie, naast de Warenwet de NEN 2484 gebruikt.

De deugdelijkheid van de ladder moet van tijd tot tijd worden gecontroleerd. Hiertoe dient ten minste eenmaal per jaar een inspectie door een deskundige te worden uitgevoerd. Om het veilig werken met en op een ladder te waarborgen moet de werknemer een instructie ontvangen over de wijze waarop hij de ladder moet gebruiken. Een instructie voor een veilig gebruik is gegeven in bijlage b.

2. Gebruik ladder

In beginsel worden ladders en trappen gebruikt om een hoger gelegen niveau te bereiken. Toch worden ladders en trappen in een aantal gevallen ook gebruikt als arbeidsmiddel voor het staande uitvoeren van werkzaamheden. Kenmerkend bij de toepassing van een ladder in bijvoorbeeld de installatietechniek is de geringe tijdsduur van de werkzaamheden en de veelal moeilijke bereikbaarheid van de plaats waar installatiewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Vaak zijn installatiedelen aangebracht op moeilijk bereikbare plekken, waardoor de inzet van (rol)steigers of hoogwerkers technisch niet mogelijk is. Technisch niet mogelijk, omdat de werkplek onvoldoende groot is, bijvoorbeeld in gangen, reeds ingerichte gebouwdelen, technische ruimtes, schachten en/ of tussen appendages in de fabrieken in verschillende industrieën. Deze kenmerken zijn zeker ook van toepassing op andere sectoren.

Voor gevelonderhoud gelden afwijkende criteria. Zie hiervoor het Convenant Gevelonderhoud en het daarbij behorende Document en Supplement Gevelonderhoud.

3. Risicobeoordeling inzet ladder

Ongevallen met ladders en trappen zijn veelal het gevolg van onjuist gebruik en meestal niet van de kwaliteit van het materiaal. De ergonomische risico’s van werken met ladders zijn het zwaar tillen, ongunstige werkhoudingen, langdurig staan op smalle laddersporten en veel klimmen. Dit kan onder andere leiden tot rug-, schouder-, voet- en knieproblemen. De belangrijkste risico’s ten aanzien van het gebruik van ladders laten zich samenvatten in:

  • Valgevaar – bijvoorbeeld door onjuist beklimmen of opstellen waardoor de ladder omvalt en/ of onderuitglijdt;
  • Fysieke belasting – bijvoorbeeld bij langdurig staan op smalle sporten, grote krachtinspanning of reiken buiten de ladder;
  • Verstoring werk door derden – bijvoorbeeld verstoring van werkzaamheden door gebouwgebruikers;
  • Windkracht – bij werkzaamheden buiten bij een hoge windkracht, bijvoorbeeld hoger dan 6 BF is er sprake van verhoogd valgevaar.4. Risicobeheersing inzet ladder

    Het risico bij de inzet van een ladder als werkplek kenmerkt zich door wat er kan gebeuren met welke gevolgen. In het geval van een ladder is de belangrijkste ongevalskans een valincident. Met behulp van een risico-evaluatie wordt bepaald of het risico aanvaardbaar is, uitgedrukt in een risicoklasse. Deze geeft een indicatie van de grootte van het risico en wordt berekend uit het product van de factoren waarschijnlijkheid, duur van de blootstelling en de grootte van de mogelijke (letsel)schade.

    5. Toelichting beoordeling keuze arbeidsmiddel in werkvoorbereiding

    Bij het werken op hoogte is het nodig dat de werkvoorbereiding en/of de operationeel leidinggevende vooraf nagaat welk arbeidsmiddel het beste kan worden ingezet.
    Uitgangspunt is het gebruik van een veiliger arbeidsmiddel dan een ladder. Nagegaan wordt of bij opgedragen taken de veiligheid en gezondheid van de medewerkers niet in gevaar kunnen komen. Ook wordt nagegaan of de werknemer de opleidingskwalificaties heeft, die nodig zijn voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.

    Het kan zijn, dat op grond van de “Beoordeling keuze arbeidsmiddel” de risico’s bij de inzet van bijvoorbeeld een (rol)steiger groter worden ingeschat dan bij de inzet van een ladder. Dit bijvoorbeeld omdat de risico’s bij het op- en afbouwen van een steiger in totaliteit groter kunnen zijn dan de risico’s bij het gebruik van een ladder.

    Met behulp van “Beoordeling keuze arbeidsmiddel” en eventueel aangevuld met een project risico-inventarisatie en evaluatie wordt de keuze onderbouwd.
    Of bij de werkvoorbereiding in het uiterste geval voor de ladder als werkplek mag worden gekozen, wordt vooral bepaald op grond van de aspecten stahoogte, omvang van de werkzaamheden (staduur), het soort werk dat uitgevoerd moet worden (krachtuitoefening en reikwijdte). De ladder moet onder deze omstandigheden veilig en gezond kunnen worden ingezet.
    De keuze van het arbeidsmiddel moet primair op veiligheidskundige overwegingen worden gebaseerd. De economische afweging moet dan ook met terughoudendheid en slechts in samenhang met operationele en veiligheidstechnische overwegingen worden gemaakt. De inzetbaarheid van de ladder als werkplek ter plaatse wordt bepaald op grond van de aspecten stahoogte, nodige statijd, krachtuitoefening en reikwijdte. De aspecten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, worden kort toegelicht.

Als de conclusie is dat geen ander arbeidsmiddel kan worden ingezet dan de ladder, dient te worden beoordeeld of de ladder in de omstandigheden van het geval met de nodige veiligheidswaarborgen kan worden ingezet.

Heeft u vragen?

Neem gerust eens contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.