0412 - 474 350 Info@JBR-Arbo.nl

Ontruimingsplan

Nederlandse Norm

NEN 8112 (nl)

Leidraad voor een ontruimingsplan

NEN staat voor: Nederlands Norm

Arbowet (wettekst m.b.t. vluchten, ontruimen en noodverlichting)
Ieder bedrijf of instelling in het kader van de Arbowet, artikel 5, verplicht is een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) te maken. Deze RI&E is de basis voor een bedrijfsnoodplan met daarin onder meer een ontruimingsplan, een aanvalsplan, een vluchtplan en een calamiteitenplan.

Ontruimingsplan
Een ontruimingsplan van gebouwen moet worden opgesteld in het kader van de bouwverordening art. 6.1.1, en in het kader van de Arbo-wet, art. 15 en Arbobesluit, art. 2.17. Om deze reden moet een ontruimingsplan kunnen worden getoetst door de brandweer, maar ook, in samenhang met de bedrijfshulpverlening, door de Arbeidsinspectie (ISZW). Het ontruimingsplan moet zo worden opgezet dat dit plan te toetsen is door de brandweer. Daarnaast kan worden gesteld dat een ontruimingsplan onderdeel is van het bedrijfshulpverleningsplan van de betreffende organisatie. De richtlijnen voor het samenstellen van een ontruimingsplan zijn in de NEN 8112 opgenomen en afhankelijk van de bestemming en het gebruik van het gebouw.

Ontruimingsplattegronden
De noodzaak van ontruimingsplattegronden volgt uit paragraaf 8 van de NEN 8112 en moeten worden ingericht conform NEN 1414 (symbolen voor veiligheidsvoorzieningen op ontruiming- en aanvalsplannen). Ontruimingsplattegronden zijn bedoeld om de gebruikers van een gebouw te informeren hoe ze het gebouw in geval van nood moeten verlaten. Doelstelling is het informeren van alle aanwezigen in het gebouw, die geen veiligheidskundige achtergrond hebben, over de vluchtmogelijkheden. Ontruimingsplattegronden moeten daarom eenvoudig en zo van opzet zijn dat deze goed leesbaar zijn voor personen die geen technische tekeningen kunnen lezen. Op de plattegronden staan daarom alleen de op deze doelgroep afgestemde informatie. De plattegronden moeten zodoende bijdragen aan het veilig en zelfstandig verlaten van het gebouw door aanwezigen. De ontruimingsplattegrond moet in secties (bijv brandcompartimenten) worden opgedeeld. Het het aantal ontruimingsplattegronden per bouwlaag wordt mede bepaald door de complexiteit van de te volgen vluchtroute. (te grote loopafstand, zowel tussen de ontruimingsplattegronden onderling als tussen de laatste ontruimingsplattegrond en de (nood-) uitgang, schept onduidelijkheid over de te volgen vluchtroute.

Inrichting arbeidsplaatsen Afdeling 1. Algemene voorschriften

§ 3. Voorzieningen in noodsituaties
Artikel 3.6. Vluchtwegen en nooduitgangen
1.Doeltreffende maatregelen zijn genomen teneinde het mogelijk te maken dat de werknemer, indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich snel via de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen.
2.Het aantal, de plaats en de afmetingen van de daartoe beschikbare vluchtwegen en nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen alsmede van het   maximum aantal werknemers en andere personen dat zich op deze plaatsen kan ophouden.

Artikel 3.7. Veilig gebruik van vluchtwegen en nooduitgangen
1.Vluchtwegen en nooduitgangen zijn vrij van obstakels.
2.Nooduitgangen kunnen te allen tijde worden geopend.
3.Deuren van nooduitgangen en deuren op het traject van de vluchtwegen zijn op eenvoudige wijze van binnenuit naar buiten toe te openen.
4.Schuif- en draaideuren worden niet als nooduitgang gebruikt.
5.De vluchtwegen en nooduitgangen die bij het uitvallen van de verlichting slecht zichtbaar zijn, zijn voorzien van een adequate noodverlichting.
6.De vluchtwegen, de deuren en poorten op het traject van de vluchtwegen alsmede de nooduitgangen zijn gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

Artikel 3.8. Brandmelding en brandbestrijding
1.In aanvulling op artikel 15 van de wet zijn op arbeidsplaatsen, afhankelijk van de aard van de arbeid die daar wordt verricht, de daaraan verbonden gevaren en het maximum aantal werknemers en   andere personen dat zich daar bevindt, voldoende passende brandbestrijdingsmiddelen aanwezig.
2.Indien nodig zijn, in aanvulling op het eerste lid, branddetectoren en alarmsystemen aanwezig.
3.Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn gemakkelijk bereikbaar en gemakkelijk te bedienen.
4.Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien van een signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde. De signalering is duurzaam en op de juiste plaats aangebracht.

Artikel 3.9. Noodverlichting
Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van het kunstlicht aan bijzondere gevaren zijn blootgesteld, zijn voorzien van adequate noodverlichting. Indien noodverlichting niet mogelijk is, beschikken de werknemers over individuele verlichting.

 

 

 

 

 

Heeft u vragen?

Neem gerust eens contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.